Verhaal Jan Groot

P.: Wanneer zijn jullie precies begonnen en wie is degene die het idee had voor een ijsbaan op ’t Kruis?
J.G.: Dat is ontstaan dat Jan Beers en ik (we spraken mekaar wel der eens) en dat was in die winter dat er veel sneeuw lag. Ik denk in de winter 62/63. Toen keken we zo naar het handbalveld en waar gevoetbald werd (de ijsbaan was voorheen handbal/voetbalveld), zei ik zo tegen Jan Beers: dat is eigenlijk een leuke baan om te schaatsen. Toen zei Jan Beers: dat is wel wat, daar gaan we achter an. Toen hebben we het nog eens goed bekeken. Maar ja, toen benne we begonnen, gewoon met het sneeuw bij elkaar te schuiven. Naar de kant en toen hebben we het nat gespoten en toen hebben we het land opgespoten met water, met een pomp en dat was ontzettend veel sneeuwwater. Dus dat ijs dat werd gewoon geel. Het was eerst maar een dun koek laagje.
We hadden het geluk dat het alle dagen vroor, maar we moesten wel alle avonden die twee banen van een meter of 8 opspuiten met water. Dat deden we met emmers water en gieters.. Dat was een verschrikkelijke klus. En het ook nog zo, er lag nog een ouwe sloot in en die moesten we afzetten met een dam. We hebben op een zondag die sloot afgezet met hout van Willem Offeringa.
Ja, dat hebben we op zondagmiddag nog gedaan. Toen hebben we een nieuwe dam, die sneeuwdijk begaf het. Later hebben we nadien nog, met een ploeg van Dirk Boots , dat het even begon te dooien, met de balansploeg een sneetje omgooit. Toen hadden we een walletje van grond. Dat was allemaal in het begin. Toen hebben we moeten werken. Als je dat vergelijk, dan doen ze nou niks.
Alles moesten we met de hand doen. We hadden niks.
Maar ja, toen zijn we begonnen met 4 van die steiger palen, lampen d’r aan gehangen en de stroom bij de Pastoor vandaan. En toen kwam hier nog een keer een kerel van de PEN. Grote oorlog.
Ik deed net of mijn neus bloedde. Hij was verwezen naar mij.
Ik zeg tegen hem: ik weet het niet, ik zie dat licht weleens branden, maar voor de rest bemoei ik me d’r niet mee.
Nou dat viel bar of, maar ja, toen ging die kerel van de PEN naar pastoor en zei teugen pastoor, dat het over moest wezen, want anders werd de stroom van de kerk afgesneden.
Toen hebben we via de PEN, palen gehaald bij Roskampbrug vandaan, dat is bij de Laanderweg.
Toen hebben die palen erin gezet. Dat waren palen, die gebruikt werden voor stroom bovengronds.
Adam Knijn heb toen, met een man of 3, de draden getrokken en lampen opgehangen en het vroor dat het kraakte.
Dat gebeurde in de winter na 62/63.
Het was zo, er was geen geld. Toen hebben we (Jan Beers, Cor Breed en mijn persoontje) er in het begin er zelf geld ingestoken. Dat geld was nodig om de lampen te betalen en bedrading en meterkast. Ik zeg niet hoeveel geld we erin gestoken hebben, maar het was heel wat.
Toen kwamen de tentjes. Eerst een kleintje en even later die grote, maar dat was je van het. Er kon wel 30 man in. D’r moesten ook nog kachels in. We hadden eerst een kleintje en toen een hele grote, van de peterolie stinkers, maar dat was je van het. Maar we hadden eerst het kleine boetje. Die zat tot z’n strot an toe vol.

De pomp.
We hebben de baan nog een keer vol laten lopen, door en man uit Ursem vandaan, met zo’n grote rondpomp, van Diepen. Als die pomp draaide, dan draaide die zoveel water, dat de hele sloot droog stond.
Voordat we begonnen te pompen, moesten we eerst een dijk maken om het vele water van die pomp teugen te houwen en het gebeurde wee dat die dik doorbrak. Noh.joh, Maar die gooide er wel een zoot uit. Maar ja, vol is vol, maar hij lekte als een gieter.

P.: Maar jullie hadden toch die pompen van Jan Blom en Dirk Boots (deze werden zomers gebruikt om het land te beregenen)?
J.G.: Ja, dat klopt, we hadden zelfs een pomp op een arrenslee, was van Gerard Klaver en ome Jaap had er ien. We stonden op een gegeven moment met vijf van die pompies te draaien. Ja, de ien gaf 5 kuub en de ander 15 kuub en de beste gaf 25 kuub en jouw vader heb het ok nog gedaan. D’r zat wel bar veul kracht op die pompen en bar veul atmosfeer. Maar d’r kwam gien water uit.
Hebben jullie aldoor nog dezelfde pomp? (vraagt Jan)
Die heb Cor Breed nog weten te begaan. Die kwam bij een boer vandaan, uit de Schermer. Het was een onderstel van een windmolen. Maar voor die pomp kon draaien, kwam er nog heel wat voor kijken, want die was niet zomaar startklaar.
Wij draaide nog met riemen. Noh joh, we hebben wat riemen gebruikt. Ik heb nog een paar riemen op de vliering liggen. Die krengen gingen aldoor an barrelen, want hij hing in de riemen. De motor kwam bij een sloper vandaan, bij van der Zel.
Maar die riemen, deer ben ik an kommen door Ria (dochter), die werkte bij Bes uit Alkmaar.

P.: Hoe kwamen jullie aan geld?
J.G.: Nou, door donaties en om ons eigen geld eruit te halen, duurde het ongeveer 2 jaar.
Maar die baan die liep zo verschrikkelijk best. Ongelofelijk en ’s avonds dan werd je soms bang op die ijsbaan. En ze moesten allemaal een gulden en de jeugd 2 kwartjes. Ik liep daar als een politieagent en als er één opkwam zonder te betalen, dan ging ik er heen en ramde ze zo weer van die ijsbaan of die kwam er nooit meer op.
Zoals Jan Praat toen zei: Mijn Jan,vader, d’r is er ientje op die niet betaald heb. Praat die was over het prikkeldraad gaan en die wil niet betalen. Ik er naar toe en zeg: Mag ik je kaartje effen zien, ik loop hier voor controle. Praat zei: Die heb ik niet. Ik zei: Effen en piek betalen. Hij zei: dat doe ik niet. Ik pak hem bij zijn schouders en zeg: Ik moet toch die kant op en dan loop jij effen mee. Hij zegt: Moet dat? Ik zei: Ja, dat moet, maar je moet het zelf weten , anders ram ik je je er af. Hij keek me an en hij ging. Maar ze betaalden allemaal. Iedereen hier was donateur. Voor een gezin was het f 6,50 en een gewone kaart F 3,50., Maar de meest ouders namen een gezinskaart. En als het een jaar niet vriest dan konden we zeggen: Kijk dat is nou je reserve.
Je kan wel nagaan, dat we F 3000,- over hielden. Kijk als je een ijsbaan goed behartig, dan zit er nog heel wat in.

Muziek
We hadden toen boxen, die hadden we aan de palen. We hadden eerst de muziek uit de kantine.
Alle avonden liep ik met de stereokast. Wij dorsten dat ding deer niet te laten.
Die boxen hebben we nu in de kantine, dat zijn toch een paar knoerten en d’r kwam toch muziek uit.
We hadden ook van die jokkie tokkies (Jan bedoeld walkie talkies). Dan stond Jan Beers de wedstrijden te starten en dan stonden wij bij het bord alles op te schrijven, het was bar interessant.
Maar het is een zoot werk. Ik heb het 12,5 jaar gedaan., maar je ging er bijna aan onderdoor.
Want ’s ochtends liep ik alweer de scheuren na, die vergeten waren en dan en danging ik eerst weer naar moeder en vroeg: He b je nog een paar emmertjes heet water met een tuitje. En dan liep je die scheuren weer na, want ik duldde niet, dat er ien scheur in zat. Je moest 3 á 4 keer per dag bij pompen. ’s Ochtends al vroeg, want o jee, als je dat vergeten had, dan ging ie kraken. Want als ie niet vlak leit, dan vlogen de scheuren er in. Hij moet precies vlak liggen en ’s avonds om ca.half elf ging ik nog een keer naar de pomp.

P.: Hadden jullie een bestuur?
J.G.: Nee, een ijsbaancomité. Nee, dat wilden we niet nee.
Als je een bestuur heb, dan ben je gebonden aan regels. We wouen vrij blijven.
Waarom een bestuur, en comité is goed genoeg.
Cor Breed wou het ook niet. Jan Beers was wel zogenaamd de aanspreekbare man Die man kon goed praten. En als er wat te doen was, dan was Jan altijd de man die het woord nam, weet je wel, omroepen enz. En Ben de Jong, die man kon je om alle boodschappen uit sturen.
Nog even terugkomend op de muziekinstallatie. Die haddenwe dus eerst uit de kantine en de boxen huurden we van Adam Knijn. Later hebben we zelf een installatie gekocht.

De mensen die hielpen met opruimen of schuiven van de baan.
Het gebeurde wel: Als jij vanavond help schuiven, dan hoef je niet te betalen. Dan was het meteen van: Ik help wel schuiven. Zo deden we dat veul. Of ze kregen na afloop chocomel.
En ook mijn hele gezin hielp mee. Die meiden, die waren er altijd. Ik was er, kon je zeggen, dag en nacht. Want ’s avonds dan kwam ik thuis om twaalf uur en dan was ik harstikke loof en den moest ik daags er na weer organiseren. Wat denk je van al die wedstrijden. Daar zit wat aan vast, als je al die wedstrijden organiseer. Wij hadden gien kronometers (Jan bedoeld chronometers) en die mochten we altijd lenen van meester Huits, uit het centrum vandaan. Maar dan moest je eerst erheen te praten. Dat waren in die tijd erge dure dingen, die waren niet te betalen voor ons.

P.: Die wedstrijden. Wat voor wedstrijden organiseerden jullie dan?
J.G.: Dat warenhoofzakelijk de kampioenswedstrijden van de Waard. En wedstrijden tegen SVW KSV. Die wedstrijden werden ook op de Draai gedaan. Maar alle jaren kampioenswedstrijden van H.H.Waard. En dat was altijd hier. En wedstrijden voor de jeugd.
We hadden altijd 2 grote banen en een baan effen kleiner voor de kleinere jeugd en de midden was voor de kunstrijers, wat je niet meer ziet.

P.: Weet je nog bepaalde winnaars of barre rijders?
J.G.: Eh, de jongens van van Stralen, Jaap de Groot. Ja, Jaap zat alleeneen beetje met z’n sprint.
Hans Sprenkeling heb ut ook een keer gewonnen. En den kwamen er mensen uit Stompetoren, die begrepen niet, dat ze hier zo hard konden rijen. En toen heb ik gezegd: Moet je goed luisteren. Als wij water op pompen, staat er een man met groene zeep en gooit er groene zeep in en daar word het spiegelglad van (grapje).
We reden de 3000 meter en de 500 meter. Co Kuiper die is ook nog een keer kampioen van de Waard geweest.

P.: Organiseerden julli buiten het ijsbaan gebeuren nog wat andeers?
J.G.: Nee hoor, ijs of alles klaar.
Jan die heb er ook verschrikkelijk veul wer an had, om nog even erop terug te komen.
Die dijken om de baan, die heeft Klaver uit de Schermer er omheen gemaakt. En toen is er ook plastic in gegaan. Een geul met plastic er in toen gooide die kraan een laagje grond er over heen.
Toen hadden we weer een paar centen en dat het klaar was: Op was je geld weer.
En dan de scheuren vullen.
We haalden overal warm water vandaan, maar waar we de laatste jaren veel vandaan haalde, dat was bij Siem Rood, de bakker.

P.: Waarom is het opgeheven?
J.G.: Enkel om de verschrikkelijke vernielzucht was er geen beginnen meer an. Cor Breed die had na de ijsperiode planken voor de ramen geslagen, maar ze wisten evengoed door de kieren, het gls stuk te maken.

P.: Was het ook, omdat de animo eraf raakte of omdat er een periode geen ijs-winters meer geweest zijn?
J.G.: Nee, daar hebben we nooit veel pech mee gehad. Dat was fantasties altijd.

P.: Heb je nog iets bijzonders meegemaakt, dat je zegt van dat was gek of i.d.?
J.G.: Ik ben nog eens op een zondag naar het pompie gegaan van Jan Blom, om te vragen. Dat pompie mocht ik wel gebruiken, maar dan moest ik eerst helpen missen, eerst de groep leeg rijen.
En toen mocht ik dat pompie meenemen, maar die stond op de dars, nogal in het donker en boven die pomp stond een blik dieselolie zonder dop. Ik pak die pomp en tegelijk viel dat hele blik over me heen.
Ik had toen even gauw een ander jassie aangedaan, maar anders niet. Mijn knappe broek, ik zat van onder tot boven onder de dieselolie. M’n overhemd, m’n boek, ik zat onder.