Verhaal Jan Beers

Jan gaat gemakkelijk in zijn stoel zitten en zegt: Ik weet er eigenlijk niet zoveel vanaf. Dan moet je eigenlijk bij Jan Groot wezen.

P.: Ja dat zal wel. Jullie geven elkaar de schuld, maar volgens Jan Groot schijnt het dat jij er ook heel wat vanaf weet of is dat niet zo?
J.B.: Nou ja joh. O ja, in ut begin hebben we het samen gedaan.

P.: Maar wanneer zijn jullie nou eigenlijk begonnen?
J.B.: Jan Groot die wist het ook niet meer precies. Was het nou voor die strenge winter of was het tijdens die strenge winter? Volgens mij was het dat die strenge winter an de gang was.

P.: Dus in 62/63?
J.B.: Ja, het begon te vriezen op 22 december, op een vrijdag en toen vroor het 8 graden.
Hoe weet ik dat zo precies? Dat heb ik opgeschreven in een boek. Daar staat alles in wat ik heb gedaan. Ik hou een dagboek bij, weet je wel.

P.: Dus dan staat er ook van alles in over die ijsbaan?
J.B.: Nee, er staat helemaal niets in over die ijsbaan.

P.: Maar dan ben je een stuk van je leven vergeten op te schrijven, ha, ha.
J.B.: Het is zo dat Jan Groot een krantenknipsel heeft en dat is van 1971
(ik laat J.B. er het kopie van zien) .
O ja, ik zie het al, ja, dit is van latere datum. Wij waren in het begin zonder dijk an de gang.

P.: Ja, jullie waren in het begin met de ploeg an de gang weest. Effen een sneetje langs de kant op zetten.
J.B.: Nee, het eerste jaar niet. Nee joh, je kon de grond niet in. Het is eigenlijk zo gaan: We lieten het water zo over de grond lopen. Zo is het idee van de ijsbaan eigenlijk gekomen.
Je kon er slecht op rijen, want het water ging er weer onder het ijs vandaan. In de kortste keren zakte het water er onder vandaan en dan kreeg je van dat bomijs.
Kijk dat kun je wel zien als je een plas hebt, dan vriest die zomaar een keer weg. Daar hadden wij natuurlijk ook moeite mee.
Ik had het eerst thuis nog probeert met zout, want zout bevriest als het beneden 4 graden is. Dan bevriest ook zout.
Ik had thuis een proefveldje maakt met zout en sneeuw en dan kijken of dat sneeuw ijs werd. Want er lag sneeuw.
Het resultaat viel niet mee. Het gebeurde wel, maar het werd niet hard genoeg.
(nog steeds kijkend naar het krantenkopie)
Jaar’s d’r na hebben we een keitje d’r omheen ploegd. Ik denk dat Dick Schut dat nog gedaan heb. Dat was het eerste dijkje, om het zo te zeggen.

P.: Maar hoe kom je nu op het idee om nou zomaar een ijsbaan te maken op ’t Kruis? Je gaat toch niet zomaar een ijsbaan maken?
Het stuk land was voorheen van W.Appel(man?). Die grond was dus al van de Gemeente.
W. Appel(man?) die had dus al verkocht? Hoe kregen jullie het water op de ‘baan’?
J.B.: Met een pomp. Nou weet ik niet meer van wie die pomp was, maar ik denk van Jan Blom. Die had een pomp welk gebruikt werd met beregenen. We hebben het zelfs nog weleens geprobeerd om over het ijs met een regeninstallatie te sproeien. Maar dat ging niet, het water bevriest te gauw en barst er dan weer af. Nee, dan kreeg je ok een rommeltje. Het was gewoon een rommel, want we wisten niet hoe het moest.
Oppenent wij us kijken hoe een ander het deed.

P.: Maar hoe ging dat nou? Jij zei tegen Jan Groot: Wij gaan op ’t Kruis met een ijsbaan beginnen.
J.B.: Ja, ja, ik kom van de veiling of een keer op ’n ochtend of deer over praat was, weet ik niet, toen gaan ik naar Jan Groot toe en deer hebben we d’r over praat. Dat het most eigenlijk, maar hoe?
En toen hebben we het eerste jaar in die winter (want waar je water gooide was ijs, want het bevroor meteen) dus vol laten pompen. Laten we er dan maar een plas op maken. Dan hebben we wel tochtijs en dat gebeurde. Oké, op dat moment was het niet ideaal, maar dat zal je ook beleven. D’r kwamen evengoed schaatsers en d’r werd op schaatst, want de sloten waren niet meer te berijden. Want die lagen vol sneeuw. Dat heb je vaak ’s winters en vooral die winter, want toen viel er een zoot sneeuw.
Dus iedereen ging naar de ijsbanen toe. Bij ons was het niet ideaal, dus er kwam weinig volk.
Wil je wel geloven dat ik daar weinig meer van zeggen ken en ik denk dat we jaar’s d’r na een kei d’r omheen ploegde.

P.: Wie waren er nog meer bij?
J.B.: Jan Groot en mijn persoontje en Cor Breed en Ben de Jong . Ja, Ben de Jong was er ok altijd bij.
Ik weet nog wel dat we wedstrijden voor school hadden, De stond Ben altijd met de bordjes.
Ja, dat waren de mensen van het eerste uur, die waren erbij.

P.: Hoe kwam die dijk er nou?
J.B.: We hadden ook nog te maken met een endje sloot. Ja, dat zal dat slootje wel weest hebben, wat later dempt is. En daar lekte het altijd en daar hebben we een dam moeten maken met palen en planken en prut. Nou ja, we moeten natuurlijk water hebben en we hadden gien pomp.
Ik heb ok nog een keer de brandweer vroegen, maar die kwam niet. Want de brandweercommandant wou daar gien ja op zeggen, zonder toestemming van de burgemeester.
Die was weer hoofd van de brandweer.
De burgemeester heb ik nog opgebeld en die zei: het kan niet, want dan zouden de slangen bevriezen en als ze dan de slangen weer nodig hadden, zouden ze met bevroren slangen zitten.
En toen hebben we het met die pomp van Jan Blom gedaan en ook de pomp van Dirk Boots. Ja, die pomp van Dirk hebben we ok had.
We hebben ‘m ok nog eens vol laten lopen met een tonmolen met een ouwe Case-trekker d’r voor van Klaas van Diepen.

P.: Een tonmolen?
J.B.: Ja, ouwere mensen weten wel wat een tonmolen is. Ut is gien vijzel. Ik zal het je uitleggen.
Het is een dichte pijp, waar een as in draait. En aan het end van die as zit een lip. Het is heel klein eigenlijk, maar dat draait dan zo hard in de rondte dat het water deur die pijp naar boven trekt.
Zeg dat die pijp een meter of drie lang was. Die pijp was van hout en dat ding verzette een zoot water.
Ik denk dat dit een uitvinding was voordat de vijzel kwam. Ja, die vijzel was er toch al en toen hadden we er al een dijk omheen.
Om nog effen terug te komen op mijn dagboek. Ik schreef alles op, wanneer ik de wasmachine kocht, wanneer ik witlofpennen haalde, kool wegbracht, maar van die ijsbaan heb ik niks opgeschreven. Ja, stom man, er staan ook wel dingen in daar heb je eigenlijk niks an. Een kalf verkocht van Leida voor F31,-,Toen golden de kalveren niks.

P.: Hoe kwamen jullie aan geld?
J.B.: Ja, vier donateurs. We hadden ’t Kruis in wijken verdeeld.
P.: Was er een bestuur?
J.B.: Nee, d’r was gien bestuur.

P.: Volgens Ben de Jong was het zo dat jullie één keer in het jaar bij elkaar kwamen bij v/d Kolk, toen D.Schut voordat de winter begon.
J.B.: Ja, dat klopt, maar ja, dat was dan toch dat we toen in ons hoofd hadden dat er een ijsbaan moest komme. En dan kwamen we zomaar een keer met de jas en de wanten aan op ’t Kruis en den moet er bekeken worden wat nou het beste was. Het slaagde natuurlijk elke keer niet, want het werd niet goed genoeg en dat heb een hele tijd duurt.
We begonnen eigenlijk een beetje goed te draaien, dat we een knappe ijsbaan wisten te creëren en toen kwam er ook een hoop volk.
Er was toen een bestuur en ik was voorzitter. Of laat ik het zo zeggen, ik zat de vergadering voor, maar ik ben natuurlijk helemaal nooit kozen als voorzitter. Ik was eigenlijk zomaar wat.
Ik leidde de vergadering. In feite is dat nooit volgens een bepaald reglement gebeurd. Een voorzitter hoort natuurlijk uit een vergadering gekozen te worden, maar dat was helemaal niet aan de orde.
Maar ja, er moet natuurlijk iemand wezen, waarvan je kan zeggen: gaan daar maar effies heen of die weet het misschien wel. Ik wist natuurlijk niks meer als een aar. Ik had ook m’n bedrijf en Jan Groot zat in de vorstverlet en dat was met Cor Breed ook zo. Die had ook weleens moeite. Die had toen ook die bloemen en zo en had volop werk.
Maar Jan Groot zat in het vorstverlet en dat was eigenlijk dé man weer alles op draaide.
Ik was dan wel de ‘voorzitter’, maar ik was er alle dagen niet bij. Den ging ik ’s avonds effen kijken.
En Leen die zal wel zeggen hoe het moest. Ja hoor.

P.: En dat keetje hoe is dat gegaan? Is er nog wat anders geweest dan dat groene boetje?
J.B.: Weet je waar die vandaan kwam? Ik denk nog van………..?
We hadden eerst een zeilen boetje. We hebben dat groene boetje gekocht van iemand die in het huis woonde van hr. Sneijders. Ja, hoe heette die man ook alweer. Hersbroek, precies ja, zo heette die man. We kochten dit schuurtje in ieder geval van die man die daar woond. En dat stond toen op dezelfde plek, waar nou de garage staat van Snippe. En dat kochten we voor F 500,-.
Het was een hoop geld, maar het was een pracht hokkie, alleen het dak was slecht. Toen heb Gert Mul er een schuin dak opemaakt, een lessenaardak, zeg maar. Eèn kant verhoogd en aflopend naar de achterkant.
En dat zelfde boetje staat nog steeds bij ons op de wurft en hij is nog precies hetzelfde.
Eerst stond er een ander ding, ja, een beetje een lauwertje of zo. Hoe we daaraan kwamen weet ik niet, maar dat was heel proffesories.

P.: En wat deed plastic in de dijk? Was dat de oplossing voor de waterlekkage?
J.B.: Nou het was beter, maar hij lekte evengoed nog. Mollen kwamen er evengoed doorheen.

P.: Hebben jullie met de hand dat plastic ingegraven?
J.B.: Ik heb het hè. De coöperatie van West-Friesland , toen was de directeur een Groninger ven deer heb ik nog een offerte van gehad. Wat of het koste moest. Egaliseren, een dijk erop met plastic erin.
Die hadden daar ervaring mee in Wognum. Dat moet F 2000,- kosten en daar hadden we geen geld voor. Dat was een zoot geld voor die tijd. Je kan wel nagaan, een kalf brocht toen F 30,- op en nu F 600,-. Je kan je nu weleens niet voorstellen dat je toen moest martelen voor een paar duizend gulden, maar dat was toch te veul.

P.: Maar jullie hadden geld van donateurs?
J.B.: Ja en van de entree, want dat liep goed. Als we eenmaal zover waren dat we ijs hadden, dan stroomde het geld binnen. Ja en daar zat Jan Groot achter, want die liep constant heen en weer en d’r achter an. Want je kon over alle kanten op de ijsbaan komen en Jan die hield ze an, als ze niet betaald hadden. Jan had de kas en die had het geld en dat ging allemaal op z’n boerenfluitjes.
Het gebeurde ook dat we geen activiteiten hadden, want dan was er geen ijs. Dan had je dat ding onder water en dan hup weer leeg, want we konden eigenlijk pas met water beginnen aks het vroor.
Die baan kon je niet vol houden, want als je hem zaterdags volgepompt had, dan was ie ’s maandags weer leeg. Het was een ideale zaak, dat we daar een vaste pompie kregen en dat heeft toch wel een paar jaar geduurd. En wie dat ding nou gemaakt heb?? Het was een eigen gemaakt ding. (denkt diep na) Ik denk Piet Sneekes.
Dat we eenmaal een knappe waterkering eromheen hadden, dat er een beetje op rooide toen, hebben we nog die tonmolen van Klaas van Diepen. Ja, ik ben er zelf nog om uit geweest en ik wist dat die dat staan had, want die pompte nog in 1959 (het was een droog jaar).
Hij pompte met die pomp de grippels vol bij de boeren. Hij deed het met een Case-trekker. Hij zat zo laag achter. Ik begroip nog niet dat ze over die motorkap heen konden kijken. Nou die heb toen veul pompt voor f 10,-. Ik zie hem nog gaan op de zaterdag, ik met het puffertje. Het was een trekker uit de 30-jaren, van voor de oorlog.
Hij had die baan in een mum vol en wij hielden den het water op peil met die pompies van Blom en Boots.
Ja, en dat moet je wel constant bij houwen.
En als vaste datum hadden we 1 december, dat we begonnen te pompen (dat is nog zo, anno 1987).

P.: En met de Koek en Zopie. Verzorgde Leen dat allemaal?
J.B.: Ja,ja, chocomel. Ja, ik keek er elke keer weer van op als er winter was, dan was er altijd een bijzondere activiteit van eigenlijk de hele Kruizer gemeenschap, want ja, na negenen dan most vezelf die baan weer een beetje opknapt worren. Dit is natuurlijk nog zo, alleen word het nu effen beter anpakt, beter materiaal gebruikt, als in het begin vanzelf. In het begin hadden we als schuiver, een plank aan een stok en het was al weer een verbetering, (ik wet niet meer wie dat gedaan had) maar dan zat er een ijzeren strip om.
Overdag was Jan Groot daar vaak an het studderen, want die had een ideale baan.
Het was meer werk voor hem en hij had er natuurlijk ontzettend veel interesse in, dat moet ik er wel bij zeggen. En hij had ok alle tijd, het was goed dat ie wat te doen had, anders zou hij zich verveulen.
Een ijsliefhebber is hijzelf helemaal niet, wat schaatsen betreft. Ik heb hem nog nooit zien schaatsen, nee hoor, helemaal niet.
Voordat er iemand de baan opgeweest was, dan had hij alweer bij de pomp geweest en liep hij alweer te studderen. O ja, met het electries. Alles werd afkeurd door de PEN en kwam den bij mij an.
Want als er dan wat was, dan stuurde Jan Groot ze naar mij, weet je wel.. Ik moest het den maar weer een beetje recht breien. Het spoorde natuurlijk lang niet wat het die electriteit betrof. We werkte met snoeren die over de weg gingen. We haalden de stroom bij de buren vandaan en je geen stroom gebruiken vaneen ander. Wisten wij veel. Ik wist het zo te bepraten, dat evengoed alles door ging.
O ja, de verlichting. Dat waren van die houten palen en Adam Knijn die heb de lampen toen nog ansloten. Ik denk dat het er een stuk of 5/6 waren.
In de zomer werden die palen aan/op gevreten door de pony’s van Wout de Vries. En dan moest je er om denken , anders vielen ze uit hun eigen om. Zulke gaten als die besten er in gevreten hadden.
Ja, zomerdag had Wout er pony’s lopen en Jan Blom had er een koe aan het ceel en paarden.

P.: Ja, nu komen we bij het punt: de wedstrijden. Weet je nog winnaars of dikke verliezers?
J.B.: Ja, die weet ik wel. Jaap de Groot, P.v. Stralen, van het zuid-end, je broer Adrie Beers, Co Kuiper en Theo Boekel en als je die jongens had van de lagere school. (ik weet niet of jezelf ok mee reed?).
Als je dan bijvoorbeeld Kees Kloosterboer, Keesie had. Noh joh, wat kon dat kereltje tochten rijen.
Het was zijn licht binkie, maar wat kon die rijen. En Mart Kuiper, met dat briltje op.
Ik was er een liefhebber van en kon ze zo an wijzen, van dat worden goeie rijers.
Ze hebben dat misschien niet doorgezet, maar zoals Kloosterboertje, die glee op z’n schaatsies, op z’n nekkertjes.
Maar toch die mensen die toen goed konden schaatsen, die rijen nog of het zijn op een andere wijze sportmensen. Neem nou maar Jaap de Groot, Gertje Mul, Mart Kuiper. Mart dat was toen nog een jochie, maar als je zijn broer Co had, die reed ook goed. Thijs Smit, ja de Smitjes, Jan en Thijs en Jan Dekker, van Piet Dekker Glasbedrijf. Dat waren toen jochies van een jaar of 16/17/18. Ja, dat waren toch wel de rijers van ’t Kruis.
Er kwamen natuurlijk ok buiten ’t Kruis goeie rijers, zoals de v. Stralens, de gebr. Smit.
Ja, dat was sensatie. We hadden dan zondag ’s middag(en ik moest den melkerstijd weer naar huis).
Ik gaf altijd het startsein, niet met een startpistool, maar gewoon; Klaar af.
Je keek dan een keer goed naar links en naar rechts en zei dan Klaar af. Ja, en Jan Groot was baancommissaris. Ben was dan de baanwisselaar. Ja, Ben ws ok weleens in de war hoor, met zijn bordjes.
We hadden toen zelf geen chronometer. Ik haalde er eentje bij Meester Sneiders en ik haalde d’r eentje bij Jan Bosman, de gymleraar van het Centrum. Ja, wie had er anders zo’n chronometer.
Het mooie was, we konden er niet iense mee worren en je moest er natuurlijk heel zuinig op wezen.
Ik moest den die meter bij Bosman ophalen en kreeg hem altijd blijd van hem, want als het trekkend had gaan, dan hoeft het natuurlijk niet.

P.: Heb je nog foto’s/kranteknipsels/o.i.d.?
J.B.: Nee, die heb ik niet. Ik maakte zelf geen foto’s, maar er moeten op ’t Kruis zat mensen wezen die ze wel hebben.

P.: Heb je nog iets bijzonders meegemaakt?
J.B.: Ja,er gebeurde alle dagen wel wat, dat schiet me zo niet te binnen.
Ik weet nog we, toen lag er zoot sneeuw op de baan en we hadden toen een sneeuw schuiver gemaakt die bediend moest worden door een man of 5.
Ja en de pomp stuk. Die was niet zo bedrijfszeker. Ik heb er gien verstand van, maar er zat altijd veul ruimte in. Ik wist alleen wanneer ie ut wel of niet deed.

P.: Waarom zijn jullie er mee gestopt? Jullie hadden toch door kunnen gaan?
J.B.: Ik heb mijn eerste vergadering nog gehad met de Wijkraad/vereniging. Het is op een vergadering bij, ik denk, bij Baron is dat overgedaan.
Ik denk dat we er eigenlijk een beetje zaten. We hadden een paar jaar of wat achter elkaar geen winter gehad en dan verslapt dat werk bepaald. Je kan wel zeggen het was een beetje bloed en moed, wat de ijsvereniging had. En er was een bepaalde bekritisering, het ging niet goed.
O ja, dat boetje moest op een gegeven moment weg, ik denk vanwege de schoonheidscommissie. Er was iets dat ons verplicht om dat schuurtje weg te halen. En niet alleen het schuurtje, maar we hadden er ook nog een aanbouwtje aan. En dat stond daar zomer en winter en was eigenlijk een aanfluiting. Het was met planken dicht timmert. Nou moet je natuurlijk niet denken dat het nieuw hout was, maar een brok van die en een plank van die. Dat stond er helemaal niet mooi.
Dat ding heb ik met Johan nog weggehaald, want die moest voor een bepaalde datum weg. We hebben toen bij elkaar geweest, van waar moesten we die troep heen brengen?
Het was beter dat het overgedaan werd, daar was ik van overtuigd.

P.: Wat vindt je van het ijsbaangebeuren nu?
J.B.: Ja, grandioos, ja, heus.